Eindelijk duidelijkheid over nimumbezoldigingsvereiste bedrijfsleider(s)

07 februari 2019

Eindelijk duidelijkheid over nimumbezoldigingsvereiste bedrijfsleider(s)

Wat bij meerdere bedrijfsleiders, hoe wordt de drempel dan berekend?

Waarover spreken we?

Vennootschappen die niet aan ten minste één van hun bedrijfsleiders een jaarlijkse bezoldiging toekennen van € 45.000 (art. 215, derde lid, 4° WIB 1992), krijgen sinds de hervorming van de vennootschapsbelasting een dubbele sanctie:

  1. ze hebben geen recht op het verlaagd tarief
  2. ze moeten een afzonderlijke aanslag betalen van 5,1 procent op het ontoereikende bedrag   (het verschil tussen de minimumbezoldiging en het effectief uitgekeerde bedrag).

Opmerkingen:

  • onder ‘bezoldigingen‘ wordt verstaan het bedrag vóór aftrek van sociale bijdragen (opgelet: werkgeversbijdragen zijn geen bezoldigingen – zie ComIB/92 nr. 215/44).      Alle fiscale bezoldigingen dienen eveneens mee te tellen, zoals voordelen van alle aard en geherkwalificeerde huurinkomsten in bedrijfsleidersbezoldigingen. Ook tantièmes voldoen aan de kwalificatie van bedrijfsleidersbezoldigingen (Circ. Nr. Ci.RH. 421/456.042 van 31 augustus 1994, ComIB/92 nr. 215/48).
  • Is het belastbaar resultaat (in dit geval: het resultaat na uitbetalen van de bezoldiging)      lager dan 45.000, dan betaalt de vennootschap een bezoldiging die minstens gelijk is aan de behaalde winst.
  • De vereiste van minimum bedrijfsleidersbezoldiging geldt niet voor “startende” kleine vennootschappen (tijdens de eerste vier belastbare tijdperken vanaf hun oprichting). 

Meer dan één BEDRIJFSLEIDER

Heeft een vennootschap nu twee bedrijfsleiders (NP) die elk deze drempel van € 45.000 niet behalen, moet u dan de hoogste bedrijfsleidersbezoldiging toetsen aan, 50%, van het belastbaar resultaat van de vennootschap vóór aftrek van de hoogste bedrijfsleidersbezoldiging, dan wel vóór aftrek van alle bedrijfsleidersbezoldigingen?

Voorbeeld: het belastbaar resultaat vóór de toekenning van de bedrijfsleidersbezoldigingen bedraagt € 60.000. De vennootschap heeft twee bedrijfsleiders. De bezoldiging van de eerste bedraagt € 20.000, die van de tweede € 10.000. Moet u nu rekening houden met een vereiste minimumbezoldiging van € 30.000 (€ 60.000 x 50%), of van € 25.000 ((€ 60.000 - € 10.000) x 50%)?

Wat zegt de minister van financiën? (op vraag van Luk Van Biesen) (CRIV 54, COM. 986, 3-5)

De minister stelt dat de bezoldigingen, toegekend aan andere bedrijfsleiders dan de bedrijfsleider met de hoogste bezoldiging (wiens bezoldiging als grondslag dient voor de berekening van een eventueel tekort), wel degelijk in rekening gebracht mogen worden bij de berekening van het resterend belastbaar inkomen, waaraan de bedrijfsleidersbezoldiging getoetst moet worden Bij bovenstaand voorbeeld, betekent dit dat u rekening moet houden met een minimumbezoldiging van € 25.000, zijnde het belastbaar resultaat van de vennootschap (€ 60.000), verminderd met de bezoldigingen toegekend aan de overige bedrijfsleiders (€ 10.000), en vervolgens herleid tot de helft. In dit voorbeeld zal de afzonderlijke heffing dus berekend worden op het tekort van € 5.000.

Conclusie

Zijn er meerdere bedrijfsleiders die een lagere bezoldiging hebben dan € 45.000, dan dient u bij de berekening te vertrekken van het belastbaar resultaat vóór de toekenning van (enkel) de bezoldiging die aan de bedrijfsleider met het hoogste loon toegekend wordt.

                                                                                                        

Schrijf je in voor onze nieuwsbrief

{{ newsletter_message }}

{{ popup_title }}

{{ popup_close_text }}

x